Op expeditie

In februari verbouwden wij onze zolder. De zolder waar mijn grote boekenkast stond. Die kast moest leeg en dus gingen al mijn boeken in dozen naar onze kantoorruimte buitenshuis. Tijdelijk. Althans, dat was de bedoeling. Die dozen staan daar, bij gebrek aan ruimte in huis, nog steeds. Begrijp me goed, er zijn nog steeds heel wat boeken in ons huis te vinden, alleen (nog) even niet allemaal bij elkaar in een grote boekenkast.
Even een (soort van) klein uitstapje: ik ben al een paar weken bezig met denken over hoe ik mijn ‘Wil ik nog lezen’-titels het beste kan organiseren. Ten eerste zijn het er nogal wat, ten tweede staan ze overal en nergens: in mijn fotogalerij op m’n telefoon, op m’n verlanglijstje op bol.com, bij ‘Mijn favorieten’ in de bibliotheekapp, tussen mijn opgeslagen posts op Instagram, etc. Het liefst wil ik ze allemaal op één plek en dus maakte ik deze maand een spreadsheet. Hierin staan inmiddels 262 titels (en uiteraard is deze verre van compleet.). Ergens best handig, vond ik, zo’n overzicht en toch werd ik er ook heel onrustig van. Ik weet namelijk nu al dat ik in m’n hele leven nooit genoeg tijd ga hebben om al die boeken te lezen, alleen al om het feit dat er, weet ik hoeveel, boeken bij gaan komen. (Zo gaat dat nu eenmaal wanneer lezen een van je primaire behoeften blijkt te zijn.) Bovendien staan op die lijst nog niet eens al die nog te lezen boeken die voorheen in mijn boekenkast op zolder stonden.
En toen dacht ik: het wordt tijd voor een ‘Expeditie boekenkast’. Oftewel: vanaf nu ga ik een jaar lang voor het grootste deel (ik dek me alvast een beetje in, dat begrijp je.) alleen maar nog ongelezen boeken uit mijn eigen boekenkast lezen. Ergens leent dit idee zich natuurlijk uitstekend voor een goed voornemen voor 2026, maar (verrassing!) ik had geen zin om te wachten. En dus heb ik vast een beginnetje gemaakt.
Zo las ik een paar weken geleden The strange library van Haruki Murakami en Vallend hout van Miek Zwamborn. Over de eerste kan ik kort zijn: een heel onheilspellend, spannend verhaal in een prachtig vormgegeven boek. Het tweede boek vond ik een paar jaar geleden bij een tweedehands boekwinkel en hoewel er geen flaptekst aanwezig was en ik dus niet goed wist waar het verhaal over ging, voelde ik dat dit wel eens een bijzonder boek kon gaan worden. En dat is het ook. De ik-figuur is een hovenier die onder toe- en alziend oog van de wat oudere Siep samen met hem een landschapstuin beheert en onderhoudt. Ik vond het heerlijk om de poëtische beschrijvingen bij de bloemen en bomen te lezen en ze op te zoeken wanneer ik geen idee had hoe ze eruit mochten zien. Zoals een Blue parrot: “gefranjerde tulpen met blauwe bloemen als verfrommelde zakdoeken.” Of de victoria amazonica sowerby, een soort enorme lelie die zich maar twee nachten laat zien en waarvan de bladeren een doorsnede van twee meter kunnen bereiken. Je bént met Siep en de ik-figuur in de tuin. En dat was een heel mooi en ontroerend verblijf.

En nu (her)lees ik de boeken over Jean Perdu van Nina George. De boekenapotheek aan de Seine had ik weliswaar al twee keer eerder gelezen, maar het vervolg, Het boekenschip van Parijs, heb ik nooit helemaal uitgelezen. En gossiemoppes (dit heerlijke woord heb ik geleend van Marieke van Straaltaal), wat blijven deze boeken waan-zinnig. Ze zitten vol boeken, liefde, liefde voor boeken, rauwheid, verdriet, afscheid, nieuw begin en al dat andere wat het leven allemaal zachtjes voor je deur legt of rücksichtslos over je schutting knalt.

Ik weet nog dat ik begon in De boekenapotheek aan de Seine en dacht dat dit een lekker wegleesboek was. Nu leest het heerlijk, begrijp me niet verkeerd, maar het is geen boek dat je even lekker snel tussendoor leest. De boeken van Nina George hebben tijd nodig. Tijd om alle prachtige zinnen goed in je op te nemen en tijd om lang genoeg bij de bijbehorende beelden in je hoofd te blijven hangen. Een duidelijke illustratie van mijn liefde voor deze boeken zijn de omgevouwen hoekjes. Ik had tijdens het eerdere lezen van deze boeken hoekjes omgevouwen van bladzijden die mooie passages bevatten en bij het herlezen bleven er nieuwe hoekjes bij komen.
Tussen alle bedrijven door lees ik zo nu en dan ook een hoofdstukje (of twee) uit Herrie. Klein voorleesboek over een grote schreeuwlelijk van Ted van Lieshout. Ik kocht het begin dit jaar bij de tweedehands boekverkoper op Schiermonnikoog, las het eerste hoofdstuk en was meteen helemaal weg van de moeder van Herrie. Klein voorbeeld: Herrie wil televisie kijken, wat van haar moeder niet mag. Herrie besluit daarop weg te lopen van huis. Ze hoopt dat haar moeder dat zo erg vindt dat ze haar televisie laat kijken. Integendeel. ““O,” zei mama, ‘neem dan maar een appel mee voor onderweg.”” Love it!
Ik verdwijn even onder mijn dekentje voor het uitlezen van Het boekenschip van Parijs om daarna te beginnen in nóg een Nina George: Zuiderlichten.
Au revoir!